Niet uit de balans blijkende verplichtingen

18. Niet uit de balans blijkende verplichtingen

Waarderingsgrondslagen voor niet uit de balans blijkende verplichtingen

Voorwaardelijke verplichtingen zijn verplichtingen die niet worden opgenomen in de balans, omdat het bestaan afhankelijk is van het zich in de toekomst al dan niet voordoen van een of meer onzekere gebeurtenissen zonder dat de Volksbank daarop doorslaggevende invloed kan uitoefenen. Het is niet mogelijk om een betrouwbare schatting van de verplichting te maken. Voor de Volksbank vallen hieronder kredietverplichtingen, terugkoopverplichtingen en overige voorwaardelijke verplichtingen.

De voorwaardelijke verplichtingen worden gepresenteerd op basis van het maximale potentiële kredietrisico. Voor de bepaling van het maximale potentiële kredietrisico wordt verondersteld dat alle tegenpartijen hun contractuele verplichtingen niet meer nakomen en alle bestaande zekerheden geen waarde hebben.

Voorwaardelijke verplichtingen

Specificatie voorwaardelijke verplichtingen

in miljoenen euro's

2017

2016

Verplichtingen wegens verstrekte borgtochten en garanties

16

17

Verplichtingen uit hoofde van onherroepelijke faciliteiten

1.040

1.562

Terugkoopverplichtingen

1.040

1.222

Totaal

2.096

2.801

De onherroepelijke faciliteiten bestaan onder meer uit kredietfaciliteiten die zijn toegezegd aan klanten, maar waarop nog geen beroep is gedaan. Deze faciliteiten zijn toegezegd voor een vastgestelde tijdsduur en tegen een variabel rentepercentage. Voor het merendeel van de onherroepelijke kredietfaciliteiten zijn zekerheden gesteld.

Een deel van de terugkoopverplichtingen van € 718 miljoen (2016: € 838 miljoen) met hypothecaire zekerheid zijn in het verleden door een rechtsvoorganger van de Volksbank verkocht. Deze verkooptransactie houdt in dat de Volksbank als rechtsopvolger een terugkoopverplichting heeft op de renteherzieningsdatum van de betreffende vordering.

Daarnaast zijn de Volksbank en SRLEV (de vennootschap waarin de levensverzekeringsactiviteiten van VIVAT N.V. zijn ondergebracht) in 2015 overeengekomen dat de Volksbank een hypotheekportefeuille van SRLEV (terug)koopt, de waarde van de terug te kopen hypotheekportefeuille is per 31 december 2017 € 321 miljoen (2016: € 384 miljoen). De hypotheken worden op maandelijkse basis teruggekocht indien een leningdeel aan bepaalde voorwaarden voldoet, zoals renteherzieningsdatum en omzetting van de aflosvorm.

Vervalschema terugkoopverplichtingen

in miljoenen euro's

2017

2016

< 1 jaar

38

49

1 - 5 jaar

82

106

> 5 jaar

920

1.067

Totaal

1.040

1.222

Garantie- en compensatiestelsels

Op 26 november 2015 is de Europese richtlijn inzake depositogarantiestelsel geïmplementeerd in Nederlandse wetgeving. De Europese richtlijn voor het depositogarantiestelsel geeft gemeenschappelijke vereisten in de hele EU met het doel de bescherming van de spaarders te versterken. Het zorgt ervoor dat spaarders profiteren van een gegarandeerde dekking tot € 100.000 in geval van faillissement. Deze bescherming wordt gerealiseerd door voor dit depositogarantiestelsel de middelen te vergaren uit de bankensector. Een belangrijk onderdeel van de regelgeving is een vooraf gefinancierd depositogarantiestelsel (DGS). Banken gaan in het DGS op kwartaalbasis premies bijdragen aan een depositogarantiefonds (DGF). De hoogte van de premie die de Volksbank betaalt, hangt af van het bedrag aan gegarandeerde deposito's bij de Volksbank en het risicoprofiel, mede in relatie tot de andere banken die deel uitmaken van het stelsel. De doelomvang van het fonds is gelijk aan 0,8% van het totaal aan gegarandeerde deposito's van de banken gezamenlijk, een omvang die in 2024 moet zijn bereikt. In 2017 heeft de Volksbank € 33 miljoen (2016: € 38 miljoen) aan het DGS bijgedragen.

In 2015 is een Nationaal Resolutie Fonds (NRF) opgericht voor de financiering van ordelijke liquidaties van falende banken. Dit fonds wordt door (ex-ante) bijdragen van de banken gefinancierd. In 2016 is het NRF vervangen door het Single Resolution Fonds (SRF). De benodigde middelen voor het SRF worden in acht jaar opgebouwd, met als doel het bereiken van tenminste 1% van het bedrag aan gedekte deposito's van alle kredietinstellingen van alle deelnemende lidstaten. In 2017 heeft de Volksbank € 10 miljoen (2016: € 8 miljoen) aan het SRF bijgedragen.

Toekomstige betalingsverplichtingen

De toekomstige minimale betalingsverplichtingen uit hoofde van operationele leasecontracten betreffen gehuurde panden.

Looptijd toekomstige minimale betalingsverplichtingen operationele leasecontracten

in miljoenen euro's

2017

2016

< 1 jaar

15

14

1 - 5 jaar

48

48

> 5 jaar

38

51

Totaal

101

113

De toekomstige betalingsverplichtingen van de operationele leasecontracten worden bij realisatie verantwoord onder de post overige operationele lasten. De belangrijkste overeenkomsten hebben verlengingsmogelijkheden. Er bestaan geen opties tot het verwerven van eigendom en geen opgelegde beperkingen uit hoofde van de leasecontracten. De Volksbank heeft de huurovereenkomst van het hoofdkantoor overgenomen van SRH (voormalig moedermaatschappij SNS REAAL). Deze huurverplichtingen zijn opgenomen in bovenstaande tabel. Een deel van het hoofdkantoor wordt weer aan derde partijen (voormalig zustermaatschappij VIVAT en SRH) onderverhuurd. Deze toekomstige huuropbrengsten bedragen voor een periode tot 1 jaar € 3 miljoen (2016: € 3 miljoen) en voor een periode van 1 tot 5 jaar € 6 miljoen (2016: € 6 miljoen).

De toekomstige betalingsverplichtingen uit autoleasecontracten bedragen voor een periode tot één jaar € 2 miljoen (2016: € 2 miljoen) en voor een periode langer dan één jaar € 2 miljoen (2016: € 4 miljoen). Er is geen verplichting voor een periode langer dan 5 jaar.

De Volksbank heeft voor de IT ondersteuning enkele grote langlopende contracten afgesloten voor een bedrag van € 25 miljoen (2016: € 20 miljoen).

Looptijd toekomstige IT verplichtingen

in miljoenen euro's

2017

2016

< 1 jaar

10

11

1 - 5 jaar

13

9

> 5 jaar

2

-

Totaal

25

20

Juridische procedures

De Volksbank en haar dochterondernemingen zijn en kunnen van tijd tot tijd betrokken worden bij overheids-, gerechtelijke en arbitrageprocedures die betrekking hebben op vorderingen die voortvloeien uit de normale bedrijfsuitoefening. Deze procedures kunnen worden ingesteld door en tegen de betreffende vennootschap. De belangrijkste procedures worden hieronder beschreven.

Madoff

In 2010 is door drie Madoff-toevoerfondsen in New York een gerechtelijke procedure gestart tegen onder andere SNS Global Custody, het bewaarbedrijf van de Volksbank, en haar klanten als voormalig economische eigenaren van beleggingen in deze fondsen. Een soortgelijke procedure is opgestart door een van deze fondsen tegen SNS Global Custody op de Britse Maagdeneilanden (BVI). Zij vorderen terugbetaling van de door de fondsen verrichte betalingen met betrekking tot de inkoop van beleggingen door deze economische eigenaren. In het verlengde van deze rechtszaken is ook de curator van Madoff een procedure tegen de Volksbank en SNS Global Custody gestart. Tegen de curator van Madoff heeft de Volksbank in eerste aanleg een procedure gewonnen. De curator van Madoff heeft vervolgens hiertegen hoger beroep ingesteld. De procedure tegen de toevoerfondsen ligt formeel stil, maar de curatoren van deze fondsen proberen die weer op te starten. Gelet op het initiële karakter en de complexiteit van de Madoff zaken, kan op dit moment geen betrouwbare inschatting worden gemaakt van een eventuele voorziening voor deze vorderingen.

Ten aanzien van een aantal belangrijke voorvragen met betrekking tot de claim op de BVI is tot in laatste instantie een uitspraak gedaan die in het voordeel is van de Volksbank. Met deze uitspraak in hand heeft de Volksbank de rechter op de BVI verzocht de curatoren van de fondsen te verbieden verder te procederen in de US. Dit verzoek is in twee instanties, laatstelijk op 20 november 2017, afgewezen. De procedure op de BVI is geëindigd.

Procedures naar aanleiding van de nationalisatie

Algemeen

Diverse oorspronkelijke rechthebbenden van de in 2013 door de Staat onteigende effecten en vermogensbestanddelen van de Volksbank zijn juridische procedures gestart om hun schade vergoed te krijgen. Per datum van het opmaken van de jaarrekening zijn er (nog) geen gerechtelijke procedures gestart tegen de Volksbank anders dan hierna vermeld. Op dit moment is nog geen inschatting te maken van zowel de kans dat mogelijke juridische procedures van oorspronkelijke rechthebbenden of overige betrokkenen bij de nationalisatie tot een verplichting zullen leiden als de hoogte van de financiële impact op de Volksbank. Om die reden zijn ten aanzien van mogelijke juridische procedures door oorspronkelijk rechthebbenden of overige betrokkenen eind 2017 geen voorzieningen gevormd.

Aangezien de uitkomst van mogelijke juridische procedures niet met zekerheid bepaald kan worden, valt niet uit te sluiten dat een negatieve uitkomst daarvan een materiële negatieve financiële impact zou kunnen hebben op de vermogenspositie, resultaten en/of kasstromen van de Volksbank.

Enquêteprocedure Vereniging van Effectenbezitters

In november 2014 heeft de Vereniging van Effectenbezitters (de ‘VEB’) bij de Ondernemingskamer van het hof Amsterdam (‘Ondernemingskamer’) een verzoekschrift ingediend tot het houden van een enquête naar het beleid van SNS REAAL, thans SRH, SNS Bank, thans de Volksbank en het voormalige SNS Property Finance, thans Propertize, over de periode 2006 tot heden. Een aantal andere belanghebbenden hebben zich bij deze procedure aangesloten. De bevoegdheid tot het indienen van een verzoekschrift tot het houden van een enquête is door SRH, de Volksbank en Propertize betwist. De Ondernemingskamer heeft het verzoek ten aanzien van SRH toegewezen en ten aanzien van Propertize afgewezen. De beslissing ten aanzien van de Volksbank heeft de Ondernemingskamer vooralsnog aangehouden. SRH is in oktober 2015 tegen de toewijzing van het verzoek in cassatie gegaan. De Volksbank en Propertize hebben zich bij dit cassatieverzoek aangesloten. De Hoge Raad heeft op 4 november 2016 beslist dat de VEB als partij ontvankelijk is om een enquête tegen SRH te verzoeken en de zaak terugverwezen naar de Ondernemingskamer. Het verzoek tot het houden van een enquête kan dus inhoudelijk worden beoordeeld. SRH en de Volksbank hebben zich tegen dit verzoek verweerd. De Ondernemingskamer verwacht in het eerste kwartaal van 2018 uitspraak te doen over het al dan niet gelasten van een enquête.

Verklaringen uit hoofde van art. 2:403 BW Propertize c.s.

Deze procedure houdt geen rechtstreeks verband met het onteigeningsbesluit maar vloeit voort uit de daarop volgende verzelfstandiging van Propertize. In het kader van die verzelfstandiging hebben SRH en de Volksbank de in het verleden voor Propertize c.s. afgegeven 403-verklaringen ingetrokken. Door het verstrijken van de verzettermijn is deze intrekking voor alle crediteuren onherroepelijk geworden, met uitzondering van twee partijen die vorderingen op Propertize c.s. pretenderen: Commerzbank en - zakelijk weergegeven - de curatoren in de faillissementen van de 2SQR- vennootschappen, voormalige cliënten van Propertize. In januari 2015 is het door deze partijen ingestelde verzet tegen de intrekking van de 403-verklaringen gegrond verklaard, welk verzet tot in de hoogste instantie is gehonoreerd bij uitspraak van de Hoge Raad van 31 maart 2017. De uitkomst van deze verzetprocedure heeft de eerdere beslissing van de Volksbank dat geen voorziening nodig is voor de onderliggende claim die deze crediteuren op Propertize hebben, niet veranderd.

Gelijktijdig met de verzetprocedure, zijn de curatoren in de faillissementen van de 2SQR-vennootschappen een procedure bij de rechtbank begonnen over hun gepretendeerde vordering op Propertize. Deze procedure is eind 2017 door Propertize geschikt, waarmee ook de aansprakelijkheid van de Volksbank uit hoofde van de 403-verklaring ten opzichte van 2SQR is komen te vervallen.

Overige procedures relevant voor de Volksbank

Verder zijn er nog procedures waarbij de Volksbank geen (proces)partij of rechtstreeks onderwerp van onderzoek is maar het verloop en uitkomst van deze trajecten mogelijk materiële invloed kan hebben op de positie van de Volksbank.

Dit geldt allereerst voor de door rechthebbenden van de onteigende effecten en vermogensbestanddelen van SRH en de Volksbank gestarte schadeloosstellingsprocedure bij de Ondernemingskamer. Na deze procedure die tot en met de Hoge Raad is gevoerd en heeft geleid tot een oordeel over de uitganspunten van de waardebepaling van deze onteigende effecten en vermogensbestanddelen, heeft de Ondernemingskamer drie deskundigen benoemd. De deskundigen hebben op 15 december 2017 hun concept rapport opgeleverd. Belanghebbenden, inclusief de Volksbank, zijn tot 14 februari 2018 in de gelegenheid gesteld om hun reactie op het concept rapport te leveren. De Ondernemingskamer zal op basis van dit rapport bepalen of een schadeloosstelling dient te worden betaald aan de rechthebbenden van de onteigende effecten en vermogensbestanddelen, en zo ja voor welk bedrag. Een eventuele uit deze procedure voortvloeiende schadeloosstelling wordt voldaan door de Staat.

Overig

rentederivaten

De Volksbank heeft in het verleden rentederivaten afgesloten met klanten. Het betreft een kleine portefeuille en vanaf 2010 zijn geen rentederivaten met klanten meer afgesloten. Op verzoek van de AFM heeft de Volksbank in 2014 en 2015 de rentederivaten van haar klanten herbeoordeeld met het doel om vast te stellen of de klant in het verleden adequaat is geadviseerd.

De AFM heeft in december 2015 laten weten dat de herbeoordeling van de rentederivaten door de banken, waaronder de Volksbank, tekortkomingen bevat en dat mogelijk een nieuwe herbeoordeling van de rentederivaten moet plaatsvinden. De Minister van Financiën heeft vervolgens drie onafhankelijke deskundigen aangewezen (Commissie van Deskundigen) om met de banken een uniform herstelkader overeen te komen. Dit uniform herstelkader schrijft voor hoe de nieuwe herbeoordelingen moeten plaatsvinden en welke herstelacties uitgevoerd moeten worden.

Op 5 juli 2016 heeft de Commissie van Deskundigen het Uniform Herstelkader Rentederivaten MKB (Herstelkader) gepresenteerd aan de Minister van Financiën. Het Herstelkader richt zich op het midden- en kleinbedrijf en voorziet in een gedetailleerd stappenplan voor het uitvoeren van de herbeoordelingen en herstelacties. Bij de uitvoering van het Herstelkader is een onafhankelijke externe beoordelaar betrokken die er op toeziet dat het Herstelkader door de Volksbank correct wordt toegepast. De Commissie van Deskundigen heeft op 19 december 2016 het definitieve Herstelkader gepubliceerd. De Volksbank heeft op basis van dit kader een definitief plan van aanpak opgesteld dat door de AFM is goedgekeurd. De Volksbank is in 2017 gestart met de uitvoering van het Herstelkader. De Volksbank heeft voor het einde van 2017 alle klanten met een rentederivaat en die onder het Herstelkader vallen een aanbod gedaan voor compensatie en alle klanten die buiten het Herstelkader vallen daarover geïnformeerd. De Volksbank verwacht de administratieve afhandeling van de gedane aanbiedingen in het eerste halfjaar van 2018 af te ronden. De Volksbank heeft op basis van het Herstelkader zoals dit is gepubliceerd op 19 december 2016 de voorziening die wordt aangehouden voor de vergoedingen herijkt. Per jaareinde is hiervoor een bedrag van € 21,5 miljoen verantwoord, zie toelichting 16 voorzieningen.

Stel uw jaarverslag zelf samen