IFRS 9

IFRS 9

1 Classificatie en waardering

1.1 Algemeen

Onder IFRS 9 wordt de classificatie en waardering van financiële activa mede bepaald op basis van het business model waarvan het betreffende financieel actief deel uitmaakt. IFRS 9 onderscheidt drie verschillende doelstellingen van een business model. Ten eerste business modellen waarbij het doel wordt bereikt door van de bijbehorende financiële activa de contractuele kasstromen te ontvangen (‘Hold to Collect’ business model). In grote lijnen komt dit neer op portefeuilles die, behoudens specifieke omstandigheden, tot het einde van de looptijd worden aangehouden. Als tweede kent IFRS 9 een categorie business modellen waarbij naast het ontvangen van de contractuele kasstromen ook tussentijdse verkopen plaatsvinden ter realisatie van het onderliggende doel (‘Hold to Collect and Sell’ business model). Als laatste onderkent IFRS 9 ook business modellen in de categorie ‘overig’. Hierbij kan gedacht worden handelsportefeuilles die in hoofdzaak worden beheerd op basis van aan- en verkooptransacties.

Naast de business model analyse wordt onder IFRS 9 de classificatie en waardering van financiële activa bepaald op basis van de kasstroomkarakteristieken van de individuele instrumenten. IFRS 9 maakt hierbij het onderscheid tussen instrumenten die zijn te karakteriseren als een standaard leningovereenkomst en overige instrumenten. Een standaard leningovereenkomst heeft kasstromen die enkel bestaan uit rentebetalingen en aflossingen op de uitstaande hoofdsom (‘Solely Payments of Principal and Interest’, oftewel SPPI). De rentebetalingen dienen hierbij een zuivere vergoeding te zijn voor de tijdswaarde van geld, het kredietrisico en overige gebruikelijke basisrisico’s zoals opslagen voor liquiditeitsrisico en kosten. Derivatencontracten voldoen niet aan de SPPI criteria en worden om die reden ongeacht hun onderliggend business model op reële waarde gewaardeerd.

1.2 Classificatie en waardering analyse

De Volksbank heeft voor de IFRS 9 business model analyse haar financiële instrumenten gegroepeerd in portefeuilles op basis van productkarakteristieken, onderliggende bronsystemen en de verantwoordelijke afdelingen voor het dagelijkse management. Daarna is met behulp van vragenlijsten en interviews met de verantwoordelijke afdelingen vastgesteld welk IFRS 9 business model op de portefeuilles van toepassing is. De business modellen zijn vervolgens beschreven waarbij de uitkomsten mede zijn getoetst door de afdeling balansbeheer.

De Volksbank heeft op grond van de productkenmerken en een uitgebreid beslisschema vastgesteld welke instrumenten kunnen worden gekarakteriseerd als een standaard leningovereenkomst. Bij een klein aantal instrumenten gaf deze beoordeling niet op voorhand duidelijkheid. In die gevallen heeft een gedetailleerde en in een enkel geval aanvullende kwantitatieve analyse plaatsgevonden.

De overgangsbepalingen in IFRS 9 bieden de Volksbank de mogelijkheid om de huidige verwerking van een deel van de hypotheekportefeuille, de DBV hypotheken, waarvoor in het verleden gekozen is voor een reële waarde classificatie, opnieuw te beoordelen. Als gevolg daarvan heeft de Volksbank besloten om de waarderingsgrondslag aan te passen naar geamortiseerde kostprijs. Deze aanpassing resulteert in een afslag van de reële waarde naar de geamortiseerde kostprijs per 1 januari 2018. Daarnaast heeft de Volksbank de waarderingsgrondslag van een deel van haar liquiditeitsportefeuille opnieuw beoordeeld. Op basis van deze beoordeling heeft de Volksbank besloten dat voor een deel van haar liquiditeitsportefeuille de waarderingsgrondslag wordt gewijzigd van voor verkoop beschikbaar naar geamortiseerde kostprijs.

De impact van IFRS 9 op de classificatie en waardering van financiële passiva is beperkt.

2 Impairments

2.1 Algemeen

Het bereik van het voorzieningenmodel is onder IFRS 9 verbreed. Onder IAS 39 worden uitsluitend kredietvoorzieningen opgenomen voor gerealiseerde kredietverliezen. Dit houdt in dat kredietvoorzieningen worden gevormd bij betalingsachterstanden of bij andere indicaties die wijzen op een gebeurtenis waardoor het onwaarschijnlijk is dat de klant aan de contractuele betalingen kan voldoen. Onder IFRS 9 neemt de Volksbank voorzieningen op voor verwachte kredietverliezen voor kredietposities die zijn opgenomen tegen geamortiseerde kostprijs en reële waarde via het overige totaalresultaat (OCI), waaronder verwachte kredietverliezen op kredietverplichtingen en financiële garantiecontracten (niet uit de balans blijkende posities).

Onder IFRS 9 wordt gebruik gemaakt van een ‘three-stages’ model. In stage 1 worden kredietposities opgenomen waar geen sprake is van een significante verslechtering van het kredietrisico sinds eerste opname en wordt een 12-maands verwacht verlies bepaald. Kredietposities waarbij sprake is van een significante verslechtering van het kredietrisico ten opzichte van eerste opname, maar niet credit-impaired, worden opgenomen in stage 2. Voor kredietposities in stage 2 wordt een ‘lifetime’ verwacht verlies bepaald. Kredietposities die credit-impaired zijn worden opgenomen in stage 3 en voor deze kredietposities wordt eveneens een ‘lifetime’ verwacht verlies bepaald.

2.2 Implementatieproces de Volksbank

Begin 2016 is de Volksbank gestart met de uitwerking van de artikelen en richtlijnen van de nieuwe IFRS 9 Impairment standaard voor de implementatie van de Expected Credit Loss (ECL) modellen. Door expertgroepen zijn verschillende aspecten met betrekking tot de IFRS 9 impairment standaard, per specifieke portefeuille, in beleidsdocumenten uitgewerkt. Binnen de Volksbank wordt onderscheid gemaakt naar de volgende specifieke portefeuilles waarvoor kredietvoorzieningen worden bepaald onder IFRS 9:

  • Particuliere hypotheken

  • Financial markets posities

  • Onderhandse leningen en duurzame financieringen van het merk ASN Bank (‘ASN portefeuille’)

  • Mkb-kredieten

  • Overige particuliere kredieten

De expertgroepen bestonden uit afgevaardigden vanuit afdelingen uit de eerste en tweede lijn. De beleidsdocumenten zijn onafhankelijk getoetst op compliance aan de IFRS 9 regelgeving door een Technical Board, waarin tevens een externe adviseur zitting had, en finaal bekrachtigd door de IFRS 9 Stuurgroep.

In de beleidsdocumenten is opgenomen hoe aspecten als Lifetime Probability of Default (PD) versus 12-maands PD, Expected Credit Loss, PD at Origination, Significant Increase in Credit Risk (SICR) en verdere portefeuillekarakteristieken in het licht van IFRS 9 ECL modellen worden behandeld. De beleidsdocumenten vormen de basis voor het beleid dat per 1 januari 2018 wordt gevoerd inzake kredietrisico en voorzieningen bepaling.

Door de afdeling Modelling is gewerkt aan de bouw van IFRS 9 ECL-modellen. Omdat de karakteristieken en omvang per portefeuille variëren zijn er verschillende benaderingen gekozen. De nieuwe IFRS 9 ECL-modellen zijn ‘Point-in-Time’ (PIT). Dit PIT karakter is mede gecreëerd door de toevoeging van macro-economische variabelen aan de modellen. De IFRS 9 risicomodellen leiden in beginsel tot volatielere uitkomsten van de voorziening dan de huidige vereisten onder IAS 39, aangezien IFRS 9 modellen nadrukkelijker aansluiten bij de macro-economische situatie en verwachtingen. Alle ontwikkelde ECL-modellen zijn door de afdeling Model Validatie beoordeeld en eventuele bevindingen zijn meegenomen in de ontwikkeltrajecten.

Na de modelontwikkeling is de start gemaakt met de implementatie van de ECL-modellen in de systemen van de bank. Bij de start van 2018 zijn nog niet alle IFRS 9 modellen volledig geïmplementeerd in de beoogde IT applicaties, voor sommige portefeuilles gaan we van start met een tussentijdse oplossing. Alle modellen zijn getest en de Volksbank heeft parallel runs uitgevoerd over meerdere maanden zodat uitkomsten van de bestaande en de nieuwe berekeningsmethoden met elkaar konden worden vergeleken. Zo hebben we een beter beeld gekregen van de impact van de overgang van de IAS 39 Incurred Loss modellen naar de IFRS 9 ECL-modellen.

2.3 ECL-modellen

Kredietrisisco management ECL-modellen

De Volksbank voert beheer uit op haar klantengroepen in de verschillende kredietportefeuilles. Hiertoe worden maandelijks verschillende klantrisico’s berekend met behulp van onze eigen kredietrisicomodellen. Het volgen van de klantontwikkelingen en de portefeuille-ontwikkeling is van het grootste belang om goede inschattingen te kunnen maken van het verwachte verlies uit hoofde van kredietrisico. Het kredietrisico moet worden afgedekt door het aanhouden van kapitaal en voor de verwachte verliezen moeten we voorzieningen aanhouden. Vanaf 1 januari 2018 gaan de IFRS 9 ECL-modellen voor de verschillende kredietportefeuilles in productie en zullen de modeluitkomsten worden gebruikt voor het bepalen van het voorzieningenniveau.

Modeltechnieken

Voor de afzonderlijke portefeuilles zijn verschillende technieken gebruikt om tot de ECL-modellen te komen.

Voor de particuliere hypotheken en mkb-kredieten portefeuilles is gebruik gemaakt van de ‘survival model’ techniek, een methode om maand-op-maand de kans te berekenen dat een klant in wanbetaling gaat, gezond blijft of herstelt naar gezond. Deze kansen worden berekend voor een basis (base), mild opgaand (up) en mild neergaand (down) scenario, waarvan de uitkomsten van deze scenario’s via een wegingsverdeling tot de eindwaarde leiden. Via deze methode wordt de kans op wanbetaling (PD), kans op herstel, kans op uitwinning, kans op een direct verlies bepaald en de daarbij verwachte verliezen. De verschillende kans-componenten en bijbehorende verwachte verliezen worden toegepast op de geprognotiseerde uitstaande hoofdsom op basis van reguliere aflossingen en mogelijke additionele aflossingen om het totale verwachte verlies te bepalen.

Voor Financial Markets (VFM) en de ASN portefeuille wordt gebruik gemaakt van een andere modelleringstechniek waarbij PD-curves worden afgeleid van Credit Default Swap curves (CDS-curves), die gecorreleerd zijn met de kredietwaardigheid (credit rating) van de tegenpartij. Voor verschillende portefeuille-onderdelen zijn specifieke CDS-curves geselecteerd. De credit ratings zijn afkomstig van bekende Rating Bureaus als S&P en Moody’s. Voor de te hanteren verlies-percentages (LGD) maken ASN en VFM gebruik van generieke sector-gerelateerde percentages uit de markt. Deze percentages worden jaarlijks gereviewd en zijn zodoende up-to-date en Point-in-Time (PIT). Zowel de PD als de LGD worden toegepast op de uitstaande hoofdsom. Door deze componenten met elkaar te vermenigvuldigen wordt het verwachte verlies (ECL) bepaald.

Voor de portefeuille overige particuliere kredieten (doorlopende kredieten, persoonlijke leningen, betaalrekeningen – roodstand - en credit cards) is tevens een specifieke methodiek ontwikkeld. In plaats van het berekenen van een individuele PD, is gekozen om een rating toe te wijzen aan een klant. Deze rating bepaalt of sprake is van een verhoogd kredietrisico. De factoren die worden gebruikt om de rating te bepalen zijn onder andere geregistreerde achterstand, uitnutting van de limietruimte en het hebben van meerdere kredietproducten. Op basis van de rating worden klanten ingedeeld in stages. Per stage is een gemiddelde PD vastgesteld op basis van waargenomen default rates. Tevens is op basis van historische data een gemiddelde product specifieke LGD bepaald. Door vermenigvuldiging van de stage afhankelijke PD en product specifieke LGD met de omvang van de kredietfaciliteit, wordt het verwachte verlies (ECL) bepaald.

Stage Allocatie

Voor ieder ECL-model is een methode bepaald om vast te stellen of sprake is van een significante verslechtering van de kredietwaardigheid (SICR) van een klant.

  • Particuliere hypotheken en mkb-kredieten. Voor het particuliere hypotheken en mkb ECL-model worden klanten in PD-buckets ingedeeld op basis van hun individuele lifetime PD at Origination. Afhankelijk van de PD-bucket waarin de klant is ingedeeld, mag de huidige PD-life time een gemaximaliseerde relatieve verslechtering laten zien ten opzichte van de individuele lifetime PD at Origination. Indien de gemaximaliseerde relatieve verslechtering wordt overschreden, is er sprake van significante verslechtering en wordt de klant geplaatst in stage 2.

  • Financial Markets posities. Voor de posities in de Financial Markets portefeuille wordt er op basis van de huidige externe credit rating en PD getoetst of er sprake is van een significante verslechtering ten opzichte van de externe credit rating en PD bij eerste opname. Indien een vooraf bepaalde gemaximaliseerde verslechtering (absoluut en relatief) in de externe credit rating en PD wordt overschreden is er sprake van een significante verslechtering en wordt de positie geplaatst in stage 2.

  • ASN portefeuille. Voor leningen in de ASN portefeuille wordt getoetst of de huidige PD ten opzichte van de PD at Origination met meer dan een bepaald relatief percentage is verslechterd. Daarnaast wordt er getoetst of er sprake is van een absolute stijging in de PD at Origination. Indien beide grenzen worden overschreden is er sprake van een significante verslechtering en wordt de lening geplaatst in stage 2.

  • Overige particuliere kredieten. Voor de portefeuille overige kredieten ontvangt de klant een rating. Indien deze rating een vooraf vastgestelde grenswaarde overschrijdt is er sprake van een significante verslechtering en wordt de klant geplaatst in stage 2.

Klanten in default beschouwen we vanuit IFRS 9 optiek als “credit impaired” en komen in Stage 3. De Volksbank hanteert specifieke default definities voor de portefeuilles waarvoor kredietvoorzieningen worden bepaald onder IFRS 9. De default definitie van de particuliere hypotheekportefeuille heeft voor de Volksbank de grootste impact op de verslaggeving. Voor deze portefeuille wordt een achterstand geregistreerd vanaf het moment van optreden, zonder rekening te houden met een drempelwaarde. Een klant gaat in “default” op het moment dat er 3 maandtermijnen niet zijn voldaan en het achterstandsbedrag een drempelwaarde overschrijdt of indien we het onwaarschijnlijk achten dat de klant zijn verplichtingen kan nakomen.

Naast de beoordeling of er sprake is van een significante verslechtering van het kredietrisico en het gebruik van de default definitie voor de stage allocatie, wordt er voor de stage allocatie gebruik gemaakt van de prudentiële non-performing1 en forbearance2 criteria. Indien een klant een forbearance maatregel heeft ontvangen, maar niet of niet langer als non-performing wordt beschouwd, wordt de klant toegewezen aan stage 2. Non-performing klanten met een forbearance maatregel die in default zijn worden toegewezen aan stage 3. Tevens worden non-performing klanten die in default zijn geweest gedurende (een deel van) de afgelopen 36 maanden en een aanvullende forbearance maatregel hebben ontvangen of meer dan 30 dagen in achterstand zijn, toegewezen aan stage 3. Alle overige non-performing klanten met een forbearance maatregel worden toegewezen aan stage 2.

Toekomstgerichte informatie

In alle ECL-modellen kan toekomstgerichte informatie meegenomen worden. Voor de particuliere hypotheek-portefeuille zijn het Nederlandse werkeloosheidscijfer en de gemiddelde Nederlandse hypotheekrente als macro-economische variabelen in het model verwerkt. Voor de mkb-portefeuille is gebruik gemaakt van het Nederlandse werkeloosheidscijfer en het aantal faillissementen. In het Financial markets en ASN Bank ECL-model zit de macro-economische invloed verwerkt in de CDS-curves die worden gebruikt. In het model voor de overige particuliere kredieten wordt gebruik gemaakt van het Nederlandse werkeloosheidscijfer.

Hedge accounting

De IFRS 9 standaard geeft de keuzemogelijkheid om de IFRS 9 hedge accounting regels toe te gaan passen of de IAS 39 hedge accounting regels te blijven toepassen. De Volksbank heeft besloten de IAS 39-vereisten inzake hedge accounting te blijven toepassen per 1 januari 2018.

Waarderingsregels

Boekwaarde

in miljoenen euro's

IAS 39

IFRS 9

IAS 39

IFRS 9

Verschil

Financiële activa

Kas en kasequivalenten

Leningen en vorderingen

Geamortiseerde kostprijs

2.180

2.180

-

Vorderingen op banken

Leningen en vorderingen

Geamortiseerde kostprijs

2.643

2.643

-

Vorderingen opklanten - Voormalige DBV hypotheken1

Reële waarde via de winst- en verliesrekening

Geamortiseerde kostprijs

1.688

1.527

-161

Vorderingen op klanten - Overig

Leningen en vorderingen

Geamortiseerde kostprijs

47.634

47.626

-8

Derivaten - Handel

Reële waarde via de W&V

Reële waarde via de W&V

264

264

-

Derivaten - Hedging

Reële waarde via de W&V

Reële waarde via de W&V

690

690

-

Derivaten - Activa en passiva management

Reële waarde via de W&V

Reële waarde via de W&V

121

121

-

Investeringen - Beschikbaar voor verkoop - HTCS business model

Beschikbaar voor verkoop

Reële waarde via het eigen vermogen

4.932

2.172

-2.760

Investeringen - Beschikbaar voor verkoop - HTC business model1

Beschikbaar voor verkoop

Geamortiseerde kostprijs

-

2.651

2.651

Investeringen - Gehouden voor handelsdoeleinden

Reële waarde via de W&V (gehouden voor handelsdoeleinden)

Reële waarde via de W&V

162

162

-

  1. De Volksbank heeft gekozen voor een herclassificatie.

Herclassificatie

in miljoenen euro's

Boekwaarde
IAS 39 op 31-12-2017

IAS 39 boekwaarde1

Toename in voorzieningen

Boekwaarde
IFRS 9 op 1-1-2018

Impact op ingehouden winsten

Financiële activa

Kas en kas equivalenten

2.180

-

-

2.180

-

Vorderingen op banken

2.643

-

-

2.643

-

Vorderingen opklanten - Voormalige DBV hypotheken2

1.688

-160

-1

1.527

-120

Vorderingen op klanten - Overig

47.634

-

-8

47.626

-7

Derivaten - Handel

264

-

-

264

-

Derivaten - Hedging

690

-

-

690

-

Derivaten - Activa en passiva management

121

-

-

121

-

Investeringen - Beschikbaar voor verkoop - HTCS business model

4.932

-2.759

-1

2.172

-80

Investeringen - Beschikbaar voor verkoop - HTC business model2

-

2.652

-1

2.651

-1

Investeringen - Gehouden voor handelsdoeleinden

162

-

-

162

-

Niet uit de balans blijkende verplichtingen

-8

-6

  1. In aanvulling op de IFRS 9 classificatie en waardering aanpassingen heeft de Volksbank per 1 januari 2018 de lopende rente voor financiële activa geherclassificeerd van overige activa naar de balanscategorie waar de lopende rente betrekking op heeft. Deze aanpassing is geen onderdeel van bovenstaande tabel.
  2. De Volksbank heeft gekozen voor een herclassificatie.

in miljoenen euro's

Eindstand IAS 39 voorzieningen op 31 december 2017

148

Verandering door herclassificatie

1

Toename in verwachte krediet verliezen

18

Opening IFRS 9 voorzieningen op 1 januari 2018

167

in miljoenen euro's

Stage 1

9

Stage 2

32

Stage 2

126

IFRS 9 voorzieningen op 1 januari 2018

167

Voor de kwantitatieve impact van IFRS 9 op de kapitaalspositie en kapitaalratio’s wordt verwezen naar hoofdstuk 3 Risicobeheer, kapitaal- en liquiditeitsmanagement.

Stel uw jaarverslag zelf samen